Moderne vaste planten ( deel 1 )

 

Deel 1: assortiment

De doorlevende kruidachtige planten, ook gekend als vaste planten, zijn zeer belangrijk in de tuin. Vooral zij zijn verantwoordelijk voor kleur en de langdurigheid hiervan. In de loop der jaren heeft het assortiment en gebruik ervan wel enige veranderingen gekend.

Evoluties in het assortiment

Er is in het assortiment heel wat veranderd sinds het verschijnen van het beroemde boek Perennial Garden Plants or The Modern Florilegium geschreven door Graham Stuart Thomas (1976). We overlopen even een paar van de opmerkelijkste tendensen.

De onstuitbare opkomst van siergrassen

Nog in 1976 schreef G.S.Thomas: “Grassen zweefden lange tijd aan de rand van de tuincultuur maar ze zijn er nooit in geslaagd die grens over te steken… omdat ze steeds werden versmoord door de meer flamboyante bloeiende planten”. Met andere woorden, hij zag toen al een potentieel voor siergrassen maar geloofde niet echt dat ze ooit belangrijk zouden worden in onze tuinen. En kijk nu, in haast elke “moderne” tuin spelen ze in de border of zelfs als massief een hoofdrol. En dit vaak ten koste van te opvallende bloeiende planten. De losse, zwierige vorm spreekt velen aan en ze zijn natuurlijk perfect te combineren met andere vaste planten.

 

Een overvloed aan bladplanten

“Te veel contrast in vorm kan onrustig zijn, vooral wanneer er massaal felgekleurde bladeren in grijs, koper en bont worden gebruikt,” schreef Thomas. Benieuwd hoe hij nu zou reageren op de oneindige stroom van nieuwe cultivars van Heuchera en Hosta, om er maar een paar te noemen. En ja, we moeten durven toegeven dat we wel wat doorgeslagen zijn en dat hij met zijn bewering niet zo fout zat. Goed toegepaste groepen van dezelfde bladplanten zijn echter nog wel steeds een aanwinst in elke tuin. Ze brengen meer rust van bloeiende planten en zijn meestal ook eenvoudiger in onderhoud.

 

 

 

Meer aandacht voor woekeren

Iedereen kent AlterIAS, dat waarschuwt voor woekerende exotische planten. Wat we daarbij niet mogen vergeten is dat deze ooit werden geïntroduceerd als sierplant. In de eerste helft van de voorbije eeuw was de sierwaarde nog het belangrijkst. Zo schreef Thomas over Fallopia japonica, de Japanse duizendknoop: “een grot, onuitroeibaar kruid van grote schoonheid”. Hij erkende dus de uitzonderlijke spreidingskracht, maar had meer aandacht voor de esthetische waarde. En vergeten we niet dat het de “uitvindster” was van de mixed border, Gertrude Jekyll, die de plant populariseerde omwille van “de onmiskenbare allure”.

 

Introducties uit de natuur

Er zijn nog steeds moderne “planthunters” al zijn ze niet meer zo beroemd als hun illustere voorgangers E.H. Wison, Robert Fortune en anderen. Maar mensen als Bleddyn Wynn-Jones, Roy Lancaster, Danile Hinkley, Barry Yinger en nog zoveel anderen hebben nieuwe vaste planten uit de hele wereld geïntroduceerd en doen dit tot op de dag van vandaag nog steeds. Vele van deze introducties vonden of vinden snel hun weg naar onze tuinen. Dat komt omdat er een duidelijke heropleving is gekomen van de belangstelling voor al dan niet verbeterde vormen van inheemse planten met een natuurlijke uitstraling. Dat heeft ook zijn invloed doen gelden op de popularisering van nieuwe, wilde planten uit de natuur, die in bloei en groei hierbij passen. Wel even een waarschuwing: nieuwe introducties worden best enige jaren goed bestudeerd in collecties om “ongelukken” zoals met Fallopia japonica te voorkomen.

 

Naamsveranderingen

We kunnen het niet genoeg blijven benadrukken: als professioneel groengebruiker moeten we de correcte namen kennen van de planten die we voorstellen aan onze klanten. En dat lukt niet met volksnamen, neen, het moeten de juiste botanische namen zijn om verwarring te voorkomen (denk maar aan Nederlandstalige namen in Wallonië en Franstalige namen in Vlaanderen). Maar botanici maken het ons niet altijd gemakkelijk. Ze veranderen de namen van vaste planten haast voortdurend en als niet-botanicus kunnen we vaak niet begrijpen waarom. Zo is Polygonum cuspidatum nu Fallopia japonica. Cimicifuga bestaat niet meer en is nu deel van Actaea. Petliphyllum werd Darmera. En dat zijn slechts een paar voorbeelden. Het bracht wijlen Jelena De Belder ertoe om te verzuchten: “Ik leer die nieuwe namen niet meer. Ik houd het bij de oude namen, die zijn ook nog op te zoeken”. Daar is iets voor te zeggen als je de zestig gepasseerd bent, maar tot dan zit er niets anders op dan de naamsveranderingen zo goed mogelijk te volgen. En dan kijken we op de eerste plaats naar de kwekers, die in hun catalogi zorg dienen te dragen voor het gebruik van de correcte namen. En met deze oproep willen we het eerste deel van deze bijdrage afsluiten. In een tweede deel zullen we nader ingaan op het “modern” gebruik van vaste planten in private tuinen en openbaar groen.

Nieuwe introducties worden best enkele jaren goed bestudeerd in collecties.

 

uit : Groenondernemer nr 2 / 2015