Wilgen zijn poeslief

 

Als kleine jongen verzamelde ik in de vroege lente takken uit de bermen van de landweggetjes. Die takken moesten dan wel vol zitten met zilvergrijze, zacht aanvoelende propjes, waarvan ik later hoorde dat dit katjes van de wilg waren. Soms piepten uit deze katjes ook goudgele draden, de meeldraden leerde ik, waardoor het net speldenkussens werden, met gouden naalden op een zilverwit kussen. Prachtig, maar helaas niet zo lang houdend als de nog niet bloeiende grijze katjes.

 

 

 

Nu weet ik dat deze wilg luistert naar de naam Salix caprea en dat deze soort slechts één wilg is tussen de vele. Maar het blijft nog steeds mijn favoriet, al zijn er andere en mooiere katjeswilgen, zoals S. aegyptiaca bijvoorbeeld. Het zal wel liggen aan mijn nostalgische gevoelend zeker, of mijn herinneringen aan een onbezorgde jeugd?

Verschillende toepassingen

Wilgen zijn bijzondere planten, met veel praktische toepassingen. Vroeger was de wilg een basisproduct in elke boerderij, en dan voornamelijk om te gebruiken als vlechtmateriaal. Men maakte er allerlei manden uit en gebruikte de zwaardere takken bij het vervaardigen van afscheidingen en beschoeiingen van sloten. Tegenwoordig is de wilg nog steeds geliefd voor het vlechten van tuinafscheidingen, al dan niet ‘levend’. Met dit laatste bedoelt men dat er verse takken worden gebruikt die in de grond worden gestoken en daardoor zullen wortelen en uitschieten. Wie heeft nog niet geprobeerd om een wilgentak te doen groeien? Het is zo eenvoudig. Steek gewoon een kale tak een dertigtal centimeter in de grond (kan vaak al vanaf einde januari) en klaar. Wel liefst een wat dikkere tak nemen, toch minstens vingerdik. Deze wortelen veel makkelijker dan dunne éénjarige twijgjes. Leuk om eens te proberen met de kinderen en ze zo een ‘levend’ kamp te laten maken in de tuin.

Een bijzondere eigenschap van de wilg is zijn pijnstillend vermogen. Als je tijdens een wandeling plots hoofdpijn krijgt, zoek dan een wilg (liefst een schietwilg, S. alba) en breek er een jonge twijg van af. Kauw hierop en de inhoudsstoffen komen vrij. Eén hiervan is salicylzuur en dat heeft een pijnstillend effect. Je hoeft hier niet bang voor te zijn, want in het gekende aspirine zit eenzelfde inhoudsstof. Kortom, de wilg is dus een natuurlijke vorm van aspirine.

Folklore en gebruiken

Naast het al vermelde gebruik als pijnstiller en de veelvuldige toepassing bij vlechtwerk, kunnen we ook nog vermelde dat wilgenhout van oudsher werd en wordt gebruikt voor het maken van klompen en papier. Ook als houtskool heeft het zijn nut, met name bij het maken van buskruit. Sinds kort worden bepaalde zaairassen van de wilg ook gebruikt voor het bekomen van biobrandstof.

Wilgen worden van oudsher geassocieerd met verdriet. We zien dit al in psalm 137, meer gekend misschien als tekst van het lied “Rivers of Babylon” van Boney M. Al zijn de planten die hier bedoeld worden waarschijnlijk eerder populieren dan wilgen. In de zestiende en zeventiende eeuw waren wilgen vooral een symbool van verdriet van een afgewezen minnaar. Er werden zelfs hoeden of kransen van wilgen gedragen door mensen die liefdesverdriet hadden. in de negentiende eeuw werden wilgen vaak afgebeeld op rouwkaarten en zelfs op grafstenen.

Tijdig verjongen

Als je een wilg in de tuin zet, vooral als het gaat om een struikwilg, dan moet je er rekening mee houden dat de plant relatief kortlevend is. Je moet ze dan ook tijdig verjongen, dat wil zeggen stekken maken. Gelukkig is dat niet zo moeilijk want wilgen behoren tot de makkelijkste planten wat deze vermeerderingsmethode betreft. Winterstek is misschien de meest praktische wijze. Neem een meerjarige twijg (geen éénjarige) van ongeveer 50 cm lang, afhankelijk van de soort die je wil stekken, en steek die voor zeker een derde van zijn lengte gewoon in de grond in de tuin. Verder hoef je niets te doen. Het volgende jaar kan je deze ondertussen gewortelde stek eventueel een andere plek geven.

 

uit: Fence – maart 2015